Een sonnet
DE OUDE EKSTER
Het is winter en de oude ekster pikt van het vet.
Zijn dode veren glinsteren dof en grauw,
Zijn botte snavel slijpend met gebroken klauw,
En vraagt zich niet af of hij het redt.
Te laat begonnen aan een nest.
De rustige ogen spreken liefde,
Zijn krakende lach die de wintermist kliefde,
Doch enkel de kale tak die hem nu rest.
De jonge eksters keren terug,
Zij kennen het raadsel,
De liefde vindt hen vlug.
Zij dartelen minzaam om zijn oude kavel.
Daar ligt de oude ekster roerloos op zijn rug,
En het vet druipt van zijn snavel.
